Ruim twee derde van Turkse en Marokkaanse Nederlanders ervaart discriminatie

Turkse Nederlanders en Marokkaanse Nederlanders ervaren van alle onderzochte bevolkingsgroepen het vaakst discriminatie. Ruim twee derde van de Turkse Nederlanders (69%) en Marokkaanse Nederlanders (72%) voelde zich (inclusief twijfel) vooral gediscrimineerd op grond van hun etnische achtergrond. Ongeveer de helft van de Turkse Nederlanders en twee derde van de Marokkaanse Nederlanders geeft aan zich (ook) gediscrimineerd te voelen op grond van hun geloof.
In vergelijking met 2013 is er onder deze groepen wel sprake van een afname van de ervaren discriminatie. Dat blijkt uit het onderzoek naar ‘Ervaren discriminatie’ dat het SCP deze maand publiceerde.

Over de omvang, een afname of toename van discriminatie in Nederland valt maar inbeperkte mate wat te zeggen omdat er weinig harde gegevens zijn. We moeten het vooral doen met de jaarlijkse cijfers van de politie en van meldpunten als bijvoorbeeld de antidiscriminatievoorzieningen, het Meldpunt internetdiscriminatie en het CIDI. Deze cijfers vertellen niet hoe vaak er gediscrimineerd wordt, maar wel hoe vaak mensen bij deze instellingen melding hebben gedaan van discriminatie. 

Tegelijkertijd weten we dat de meldingsbereidheid laag is. Weinig mensen nemen de moeite om naar de politie of een meldpunt te gaan om discriminatie te melden. De cijfers van deze instanties geven daarom niet veel meer dan het spreekwoordelijke ‘topje van de ijsberg’. 

Ervaren discriminatie

Interessant is daarom te weten hoe groot die ijsberg ongeveer is: hoeveel mensen hebben discriminatie ervaren? Dat is ook om verschillende redenen relevant. Bijvoorbeeld omdat bekend is dat ervaren discriminatie van invloed is op de gezondheid, het welzijn en uiteindelijk ook de welvaart van mensen. Op grond van discriminatie-ervaringen kunnen mensen hun gedrag aanpassen en bijvoorbeeld bepaalde plekken, situaties of arena’s (politiek, media) mijden. Dat raakt uiteindelijk de hele samenleving, zeker een democratische samenleving waarin ‘jezelf kunnen zijn’, ‘vrijheid’ en het discriminatieverbod belangrijke waarden zijn. 

Het SCP doet daarom onderzoek naar ervaren discriminatie: de mate waarin inwoners van Nederland zelf het gevoel hebben gediscrimineerd te zijn. Het SCP omschrijft ‘ervaren discriminatie’ als volgt: 

Om een gebeurtenis als discriminatie te ervaren moet een individu een negatieve behandeling ervaren als onrechtvaardig en dit in verband brengen met vooroordelen of stereotypen over de groep waartoe de persoon gerekend wordt (Major et al. 2002). Een negatieve behandeling die de persoon toeschrijft aan persoonlijke identiteit (eigen capaciteiten, vaardigheden, enz.) wordt dus niet als discriminatie ervaren, noch situaties waarin men het legitiem vindt dat er onderscheid wordt gemaakt tussen groepen. Ervaren discriminatie hoeft niet altijd overeen te komen met feitelijke discriminatie: ‘het nadelig behandelen van personen omdat zij behoren tot een bepaalde groepering of tot een bepaalde groepering worden gerekend’ (Köbben 1985; Veenman 1990, 2003). Echter, ook wanneer er geen feitelijke discriminatie aan ervaren discriminatie ten grondslag ligt, is de ervaring op zichzelf voldoende om te zorgen voor effecten op gedrag en gevoelens van mensen.

Het SCP publiceerde één keer eerder onderzoek naar ervaren discriminatie: dat gebeurde in 2014. Het ging toen om een onderzoek naar discriminatie-ervaringen in 2013. In het nieuwe onderzoek zijn de metingen van destijds voor een groot deel herhaald en zijn enkele nieuwe elementen toegevoegd.

Resultaten

Het onderzoek is uitgevoerd door middel van een aselecte steekproef van 35.727 personen van 15 jaar en ouder. In totaal hebben 8536 mensen de vragenlijst ingevuld.

Hieronder een selectie van enkele resultaten. Het gaat deels om letterlijke, maar wel vaak ingekorte citaten. Het volledige rapport leest u hier.   

  • 27% van de Nederlandse bevolking heeft in 2018 discriminatie ervaren. Daarnaast twijfelde nog eens 11% of een incident dat zij meemaakten te maken had met discriminatie. Dit zijn vergelijkbare cijfers als in 2013. 
  • Relatief vaak hebben mensen een (of meer) incident(en) meegemaakt op één terrein (16%), 6% op twee terreinen en 3% op drie of meer terreinen.
  • Mensen met een migratieachtergrond, moslims, jongeren, lhb’ers en mensen met een beperking ervaren relatief veel discriminatie. Ouderen en autochtone Nederlanders ervaren relatief weinig discriminatie. 
  • In vergelijking met 2013 is de ervaren discriminatie op grond van geslacht en op grond van beperking toegenomen. 
  • Onder Nederlanders met een migratieachtergrond, met name onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders, is de ervaren discriminatie afgenomen. In 2013 had 63% van de Marokkaanse Nederlanders één of meer keren discriminatie ervaren (en nog eens 12% twijfelde); in 2018 was dat gedaald naar 51% (en 14% met twijfel). Het SCP vermoedt dat dit komt door de aangetrokken conjunctuur: men heeft minder vaak het idee dat discriminatie een rol speelt wanneer men geen werk vindt. Turkse en Marokkaanse Nederlanders ervaren van alle onderzochte bevolkingsgroepen nog wel het vaakst discriminatie. 

Onderwijs en werk

  • 22% van de scholieren en studenten heeft in de afgelopen twaalf maanden discriminatie in het onderwijs ervaren en nog eens 8% twijfelde of een voorval discriminatie was. 
  • Tussen de 2% en 3% van alle scholieren en studenten in Nederland geeft aan gestopt te zijn met hun opleiding als gevolg van discriminatie. Onder lhb-studenten en -scholieren ligt het aandeel dat stopt met hun opleiding beduidend hoger: 8% van deze groep is als gevolg van discriminatie gestopt met hun opleiding. Ook dit aandeel geeft de kwetsbare positie van lhb’ers in het onderwijs aan. 
  • In 2018 wordt evenveel discriminatie ervaren bij het zoeken naar werk als in 2013. Onder oudere leeftijdsgroepen en onder mensen met een migratieachtergrond is ervaren discriminatie bij het zoeken naar werk echter afgenomen tussen 2013 en 2018. 
  • De grond waarop het meeste discriminatie wordt ervaren bij het zoeken naar werk is nog altijd leeftijd (56% van degenen met een discriminatie-ervaring), gevolgd door etnische achtergrond (32%). Ook mensen met een beperking ervaren op dit terrein relatief veel discriminatie. 
  • Leeftijd, geslacht en etnische achtergrond worden relatief veel genoemd als discriminatiegronden bij de ervaringen van discriminatie op het werk. Onder Surinaamse Nederlanders is de mate van ervaren discriminatie op het werk toegenomen in 2018 ten opzichte van 2013. Ook onder lhb’ers is de ervaren discriminatie op dit terrein toegenomen. 

Discriminatie door instanties en in openbare ruimte

  • Discriminatie door instanties wordt in vergelijking met andere terreinen relatief weinig ervaren (9%). De mate van ervaren discriminatie is in vergelijking met 2013 niet veranderd, afgezien van een toename van ervaren discriminatie op de huurwoningmarkt. Mensen ervaren vooral discriminatie vanwege hun leeftijd, etnische achtergrond of beperking. 
  • 12% van de inwoners van Nederland heeft in de afgelopen twaalf maanden discriminatie ervaren in de (semi)publieke ruimte, zoals op straat, in het verkeer of bij het uitgaan. In vergelijking met 2013 is de mate van ervaren discriminatie gelijk gebleven. Marokkaanse Nederlanders ervoeren in 2018 echter minder discriminatie in de (semi)publieke ruimte.

Specifieke groepen, de ‘stigmatiseringsladder’

Met onderstaande figuur geeft het SCP aan welke percentages van bevolkingsgroepen negatieve bejegening en ongelijke behandeling hebben ervaren in 2018. Deze rangorde laat zich volgens het SCP ook lezen als een ‘ervaren stigmatiseringsladder’ 

  • Nederlanders met een migratieachtergrond voelen zich op alle terreinen sterk gestigmatiseerd, gediscrimineerd en buitengesloten. Dit geldt het sterkste voor Marokkaanse Nederlanders, Turkse Nederlanders en moslims. Dit is vergelijkbaar met 5 jaar geleden. 
  • Vrouwen zijn iets meer discriminatie gaan ervaren, vooral in het onderwijs (onderadvisering) en op de arbeidsmarkt (ongelijke beloning). 

Ongeveer de helft van de Nederlanders met een migratieachtergrond ervaarde in 2018 discriminatie. Inclusief twijfel gaat het om bijna twee derde van de Nederlanders met een migratieachtergrond. In vergelijking met 2013 ervaarden Nederlanders met een migratieachtergrond, uitgezonderd Surinaamse Nederlanders, iets minder discriminatie. 

Hierbij valt verder onder andere op:

  • De tweede generatie personen met een migratieachtergrond ervaart meer discriminatie dan de eerste generatie: van de eerste generatie heeft 52% in de afgelopen twaalf maanden één of meer discriminatie-incidenten ervaren, van de tweede generatie was dat 61%.
  • De enige vorm waar autochtone Nederlanders meer last van hebben in vergelijking met Turkse en Marokkaanse Nederlanders is van seksueel grensoverschrijdend gedrag. 

Discriminatiegronden

Onderstaande tabel uit het SCP-rapport geeft weer in welke mate de discriminatiegronden door groepen met verschillende etnische achtergronden worden genoemd. 

Ruim twee derde van de Turkse Nederlanders (69%) en Marokkaanse Nederlanders (72%) voelde zich (inclusief twijfel) vooral gediscrimineerd op grond van hun etnische achtergrond. Onder Nederlanders afkomstig uit Midden en Oosteuropa lag dit nog iets hoger (76%). Ongeveer de helft van de Turkse Nederlanders en twee derde van de Marokkaanse Nederlanders geeft aan zich gediscrimineerd te voelen op grond van hun geloof. Surinaamse (60%) en Antilliaanse Nederlanders (57%) ervaarden vooral discriminatie op grond van huidskleur. 

Etnisch profileren

Het SCP heeft ook geinformeerd naar de mate waarin respondenten het gevoel hebben dat ze meer (of minder) door de politie in de gaten worden gehouden. Hieruit blijkt dat vooral Marokkaanse, Surinaamse, Antilliaanse Nederlanders het gevoel hebben dat ze meer in de gaten gehouden worden. 90% van hen ervaart dit als discriminatie.

Moslims

In het onderzoek van het SCP gaf 94% van de Marokkaanse Nederlanders en 87% van de Turkse Nederlanders aan zichzelf als moslim te beschouwen. Moslims hebben in dit onderzoek overwegend een Turkse (33%), Marokkaanse (33%) of overig niet-westerse achtergrond (22%). 

Moslims ervaren discriminatie vaak op meerdere terreinen. Ze ervaren op alle terreinen aanzienlijk meer discriminatie dan niet-gelovigen en christenen. 

Moslims ervaren vooral discriminatie op de gronden geloof en etnische achtergrond, en in mindere mate vanwege huidskleur. Dit is sterk vergelijkbaar met het beeld bij Turkse en Marokkaanse Nederlanders. 

Moslims ervaren vaker dan niet-gelovigen en christenen negatieve bejegening, ongelijke behandeling en vandalisme. Discriminatoir geweld of bedreiging wordt iets vaker ervaren door moslims dan door niet-gelovigen of christenen. Moslims ervaren seksueel lastiggevallen worden minder vaak als discriminatie: onder niet- gelovigen heeft 9% dit ervaren, van de moslims is dit slechts 3%. 

Actie na of tegen discriminatie?

Interessant is verder de constatering van het SCP dat autochtone Nederlanders minder vaak acties ondernemen tegen discriminatie dan mensen met een migratieachtergrond: ze delen discriminatieervaringen minder vaak spreken anderen minder vaak aan op discriminerend gedrag en nemen minder vaak deel aan acties tegen discriminatie. Het SCP denkt dat dit komt omdat “zij als geprivilegieerde groep op het aspect van etnisch-culturele achtergrond (subtiele) discriminatie niet alleen minder vaak meemaken, maar ook minder goed herkennen en minder goed de implicaties ervan overzien, waardoor zij minder geneigd zijn tot het ondernemen van actie.”
Verder valt op dat Marokkaanse Nederlanders het vaakst ervaringen met discriminatie delen en het vaakst meedoen aan acties tegen discriminatie. Dit geldt dan weer niet voor Marokkaanse Nederlanders zonder discriminatie-ervaring: zij spreken het minst vaak anderen aan op discriminerend gedrag (net als Surinaamse Nederlanders zonder discriminatie-ervaring).

Ervaren discriminatie wordt weinig gemeld

Dit onderzoek bevestigt dat discriminatie nauwelijks wordt gemeld bij de instanties die discriminatie registreren. De SCP-onderzoekers schatten dat uiteindelijk slechts 3% van de mensen die discriminatie heeft ervaren dit doet. Een grotere groep, ongeveer 20% doet wel een melding bij een andere vorm van gezag als een leidinggevende, een vertrouwenspersoon.  
Waar discriminatie wordt gemeld hangt ook af van het terrein waar de discriminatie wordt ervaren: discriminatie op het werk wordt bijvoorbeeld relatief weinig bij registratie-instanties gemeld, terwijl discriminatie in de (semi)publieke ruimte relatief vaker bij een registratie-instantie wordt gemeld.

Discriminatie-incidenten met bekladden, bekrassen en vernielen worden relatief weinig ervaren, maar wel veel vaker en gemakkelijker gemeld dan vormen van ongelijke behandeling en negatieve bejegening. Waarschijnlijk kot dit omdat vandalisme-incidenten gemakkelijker te bewijzen zijn en een melding nodig is als men een verzekering wil inschakelen.

Mensen die niet melden doen dit deels omdat ze er geen behoefte aan hebben. Zo geeft volgens het SCP ongeveer twee derde aan geen behoefte te hebben aan hulp bij het verwerken van wat er is gebeurd en geeft tussen de 30% en 40% van de respondenten aan geen behoefte te hebben aan het delen van hun verhaal. Het SCP geeft geen inzicht in het aantal mensen dat niet meldt omdat ze denken onvoldoende bewijs te hebben of het aantal mensen dat afziet van een melding omdat ze geen vertrouwen hebben dat er iets met hun melding wordt gedaan. Uit ander onderzoek blijkt namelijk dat dit ook factoren kan zijn om niet te melden.

Mensen die wel een melding hebben gedaan bij een registratie-instantie, geven volgens het SCP aan dat het melden heeft voorzien in behoeften: verhaal kwijt kunnen (82%), duidelijk maken dat mensen last hebben van discriminatie (37%) en hulp bij verwerken van wat er is gebeurd (66%). Er wordt echter minder voldaan aan de behoefte dat discriminatie ophoudt (53%) en dat degene die discrimineerde, gestraft wordt (37%). 

Tot slot

Deze uitgebreide samenvatting doet het onderzoek van het SCP nog tekort. Veel interessante informatie is hier buiten beschouwing gebleven. Lees daarom vooral het gehele rapport. 

Voor de aanpak van discriminatie wordt nu nog te veel geleund op (de cijfers van) de meldingsinstanties. Dit onderzoek biedt veel aanvullende informatie en het is gezien de maatschappelijk relevantie van het onderwerp daarom jammer dat dit onderzoek maar eens in de vijf jaar wordt uitgevoerd. 

Toch laat het onderzoek ook nog veel vragen onbeantwoord die wel essentieel zijn voor een effectieve aanpak van (ervaren) discriminatie. Zo ontbreekt informatie over degenen, personen of instanties, door wie mensen zich gediscrimineerd voelen. Wat is het profiel van de (ervaren) daders? Ook zou het onderzoek naar ervaren discriminatie een interessant instrument zijn om meer te weten te komen over bijvoorbeeld de rol van politiek en media, over de effecten van debatten de afgelopen jaren over racisme en zwarte piet en vooralover de wijze waarop mensen met ervaren discriminatie omgaan (copingmechanismen). 

Dit stuk verscheen eerder op Republiek Allochtonië

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s