fotomediamoslims900600Sinds eind jaren ’80 wordt er met regelmaat onderzoek gedaan naar de wijze waarop Nederlandse media berichten over moslims. In dit laatste deel uit een serie van drie besteed ik aandacht voor de periode 2006-2018. Net als in de vorige twee delen, die op Republiek Allochtonië en Nieuw Wij verschenen, wordt eerst de maatschappelijke context geschetst, daarna worden de onderzoeken kort besproken.

Context

In de loop van de jaren ’90 kwam het debat over de islam in Nederland steeds vaker in het teken te staan van een vermeende “Clash of Civilizations” waarbij het Westen en de islamitische wereld als elkaar uitsluitende, monolitische grootheden tegenover elkaar worden gesteld. Dit beeld wordt vooral benadrukt door politici, publicisten en bewegingen die de islam (en moslims) in Nederland als een bedreiging van “onze” (westerse) verworvenheden beschouwen, maar ook door enkele groepen orthodoxe moslims die deze verworvenheden onverenigbaar achten met hun geloofsopvattingen.

Dit beeld van een Clash of Civilizations kwam terug in berichtgeving over terroristische aanslagen en The War on Terror, maar ook in de met regelmaat terugkerende debatten over bijvoorbeeld de gelijkheid van man en vrouw (handen schudden, gescheiden zwemmen, vrouwelijke genitale verminking, niqab), gelijke behandeling van LHBT’ers (uitspraken van imam el Moumni), de vrijheid van geloof (moslimdiscriminatie, voorstellen als Koranverbod, kopvoddentax, sluiting van moskeeën) en de vrijheid van meningsuiting (moord op Theo van Gogh, Deense cartoonaffaire, aanslag op Charlie Hebdo).

Tot een echt debat kwam het in de praktijk echter zelden. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) schreef in 2007:

De meeste gesprekken die gevoerd worden op tv worden bevolkt door dezelfde mensen, waarbij bovendien een echt gesprek vaak niet van de grond komt. Wij/zij- tegenstellingen domineren. Dit geldt evenzeer voor de landelijke kranten. Autochtone columnisten en redactieleden (..) namen 72 procent van de opiniërende artikelen voor hun rekening over onderwerpen die met de multiculturele samenleving, en specifieker moslims en de islam, te maken hadden. Allochtonen zijn weinig aan het woord, terwijl ze voortdurend onderwerp van gesprek zijn.

Illustratief voor de wij/zij tegenstelling was het debat dat ontbrandde toen in 2007 de minister van Integratie Ella Vogelaar in dagblad Trouw liet weten dat zij het zich kon voorstellen dat we over een paar eeuwen in Nederland zullen spreken van een‘joods-christelijke-islamitische traditie’. Opiniemakers tuimelden massaal over haar heen, PVV-leider Geert Wilders noemde haar ”knettergek” en diende een motie van wantrouwen in en VVD-leider Mark Rutte schreef in de Volkskrant: “Nederland heeft nu eenmaal geen islamitische traditie – en zal die ook niet krijgen als het aan de VVD ligt.”

Geert Wilders

Geert Wilders domineerde het publieke en politieke debat sinds zijn vertrek bij de VVD met een agenda die er op gericht was een ‘tsunami van islamisering’ tegen te gaan en met voorstellen die haaks staan op de rechtsstaat zoals het verbieden van de koran, het sluiten van moskeeën en een ‘kopvoddentax’.

Fitna

Eind 2007 leidde zijn aankondiging een anti-islamfilm (Fitna) te maken bij het kabinet Balkenende IV tot grote angst voor zowel maatschappelijke spanningen als voor verstoring van de relaties met enkele handelspartners. De vertoning van de film op wikileaks (nadat Wilders een uitnodiging van nota bene de Nederlandse Moslimomroep had afgeslagen) werd een anticlimax: de korte film (16 minuten) bleek niet meer dan knullig knip- en plakwerk dat weinig nieuws bevatte. “Het boek (de Koran) was beter” grapte een Amsterdamse imam na afloop.

Fitna vormde een stimulans voor de samenwerking tussen islamitische, christelijke en joodse koepelorganisaties in het Cairo-overleg dat in 2015 verder ging als Overleg Joden Christenen en Moslims (OJCM). Ook vormde Fitna één van de redenen voor verschillende partijen om aangifte te doen tegen Wilders wegens haatzaaien.

Proces

Het eerste proces tegen Wilders was een circus dat ongeveer drie jaar duurde tot hij in juni 2011 werd vrijgesproken. Volgens de rechter was er geen sprake van aanzetten tot haat of discriminatie, of van groepsbelediging. De uitspraken van Wilders waren, zo oordeelde de rechter, vrijwel allemaal gericht op de religie islam en niet op moslims.

Wilders kreeg dankzij zijn uitspraken, Fitna en het proces tegen hem veel aandacht van de pers wat ook te zien is aan de aandacht voor de term ‘islamisering’ en het woorden paar “Geert Wilders” in de grote Nederlandse kranten. Met als uiteindelijke beloning dat de partij in 2010 groeide van 9 naar 24 zetels in de Tweede Kamer en als gedoogpartner invloed kreeg op het regeringsbeleid van het eerste kabinet Rutte.  In 2014 werd een aanzet gegeven tot een tweede proces tegen Wilders nadat deze zijn aanhang had gevraagd of ze meer of minder Marokkanen wilden. Toen het publiek’minder, minder’, scandeerde,antwoorddeWilders:”Dan gaan we dat regelen.”

Oorlog in Syrië, Syriëgangers en de angst voor terroristische aanslagen

De laatste jaren, vooral sinds 2011 staat de berichtgeving over moslims voor een belangrijk deel in het teken van de Arabische lente, de oorlog in Syrië en de (in)directe gevolgen daarvan: de deelname aan de strijd in Syrië door in Nederland geboren en getogen moslims, radicalisering, bloedige terroristische aanslagen van (oud) Syriëgangers of IS-sympathisanten in diverse Europese landen, vluchtelingen uit de oorlogsgebieden en terugkerende Syriëgangers.

Nieuwe generatie

Op de achtergrond speelde ook een andere ontwikkeling: vanaf ongeveer 2009 is het aantal moslims dat in Nederland geboren is groter dan het aantal moslims dat hier als immigrant kwam. Voor deze in Nederland geboren en getogen (tweede generatie) moslims is het niet meer acceptabel dat de islam als ‘gast’ of als fremdkörper wordt beschouwd. Deze generatie dringt maar mondjesmaat tot de mainstream media toe, maar is vanaf de eeuwwisseling met talloze initiatieven wel steeds duidelijker te horen op het internet en sociale media. Een recent voorbeeld is Meld Islamofobie dat, samen met vele anderen, moslimhaat en -discriminatie agendeerde.

Veel meer over het islamdebat in Nederland en (de effecten daarvan op) organisatievorming onder moslims is te lezen in het onlangs verschenen naslagwerk Zuilen in de polder.

Onderzoek

Hieronder een chronologisch overzicht van een selectie van het onderzoek dat sinds 2006 is gepubliceerd. Verschillende conclusies komen steeds weer terug, maar hier en daar komen de onderzoekers ook tot (totaal) verschillende conclusies.

In 2006 publiceren Leen d’Haenens en Susan Bink het artikel Islam in de Nederlandse media: Focus op het Algemeen Dagblad. Zij hadden krantenberichten in de periode 1998-2004 geanalyseerd en concludeerden dat journalisten in het AD over het algemeen, zeker op de pagina’s met binnenlands nieuws, op een evenwichtige manier over de islam hadden geschreven en verschillende meningen aan bod lieten komen. Toch concluderen ze: “De keuze van de onderwerpen kan daarmee wel stigmatisering van moslims in de hand werken, aangezien veel artikelen over terrorisme, fundamentalisme en geweldpleging gaan. Vaak worden moslims en ‘de’ islam als de daders van geweld gezien, en niet-moslims als slachtoffers.”

Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) waarschuwt in februari 2008 voor toenemende islamofobie in Nederland. De PVV wordt in dit verband genoemd, maar ook de media maakten zich volgens de ECRI op grote schaal schuldig aan generalisaties over moslims.

Wasif Shadid ontwaart in 2009 in het artikel Moslims in de media, de mythe van de registrerende journalistiek in het boek Mist in de polder (Velling, S. ea., 2009) de volgende frames die hij steeds ziet terugkeren in de media:

  1. Het etnocentrisme frame. Met behulp hiervan worden mediagebruikers vertrouwd gemaakt met een ‘wij-zij’-tegenstelling en met ‘onze’ versus ‘hun’ cultuur, waarbij de eerstgenoemde beter respectievelijk hoger wordt gewaardeerd. (..)
  2. Het stigmatiseringsframe. Hoofdkenmerk van dit frame is dat allochtonen en moslims worden gepresenteerd als probleemgroepen: ze worden meer dan strikt noodzakelijk in verband gebracht met criminaliteit, misdaad, misbruik van sociale voorzieningen, terrorisme, werkloosheid en drugs.(..)
  3. Het lekenframe. Hoofdkenmerk hiervan is dat allochtonen en moslims relatief weinig kans krijgen om hun mening te ventileren en dat ze vooral als leken en niet als deskundigen worden gepresenteerd. (..)
  4. Het culturele generaliseringsframe. Met behulp van dit frame worden Marokkaanse en Turkse Nederlanders gepresenteerd als één homogene groep en als moslims bij wie de religieuze identiteit alle andere sociale identiteiten overwoekert.

In 2011 verschijnt de scriptie: Van Fatwa tot Fitna, een onderzoek naar de berichtgeving van NRC Handelsblad over de islam tussen 1995 en 2009 van Jennifer van Genderen. Zij concludeert onder andere:

“Uit de berichtgeving in NRC Handelsblad ontstaat het beeld dat een moslim iemand is die nadrukkelijk in verband wordt gebracht met islamisering en extremisme, iemand die wordt geronseld door buitenlanders en deviante normen en waarden krijgt bijgebracht op islamitische scholen. Alle maatschappelijke en sociale problemen die er (zouden) zijn met moslims worden in de berichtgeving nadrukkelijk in verband gebracht met hun religie. Zij worden hierbij vooral gepresenteerd als een gevaar voor de kernwaarden van de Nederlandse samenleving. (..) Dit wijst op de dominantie van het conflictframe van de berichtgeving van NRC Handelsblad over de Islam en moslims in Nederland. Van de 244 krantenberichten refereerden 121 naar onenigheid en/of meningsverschillen tussen moslims onderling en tussen moslims en anderen.”

In 2014 trekt Anouk van Drunen in haar proefschrift “They are not like us”: How media and audiences frame Muslims de conclusie dat het overwegend negatieve beeld over moslims nauwelijks verband houdt met de – volgens haar inderdaad negatieve – berichtgeving over moslims in de Nederlandse nieuwsmedia.

Negatieve framing blijkt weinig invloed te hebben op hoe er in Nederland over moslims wordt gedacht. Van Drunen verklaart dat enerzijds doordat de mediaconsument went aan de toch al negatieve berichtgeving en daarom niet nóg negatiever gaat denken. Anderzijds raken mensen die positief denken over moslims meer gemotiveerd om negatieve berichtgeving tegen te spreken.

In hetzelfde jaar, 2014, promoveert Andrea Meuzelaar op de representatie van moslims en de islam op de Nederlandse publieke televisie. Zij bracht in haar proefschrift de geschiedenis van de representatie van moslims en de islam op de Nederlandse publieke televisie in kaart. Meuzelaar ziet veel stereotypes terugkomen en constateert dat er sprake is van een “rigide iconografie van de islam, waarin de islam direct herkenbaar is geworden maar ook constant wordt gereduceerd door een handvol emblematische beelden die allerlei negatieve connotaties hebben gekregen.“ Het op tv obsessief herhalen van steeds dezelfde beelden (als moskeeën, gesluierde vrouwen), ook wanneer dit niet relevant is, suggereert volgens haar steeds opnieuw causale relaties tussen de islam en allerlei maatschappelijke problemen. Meuzelaar signaleerde twee concurrerende verhalen over de religieuze identiteit van moslims: één over de goed aangepaste en succesvol geïntegreerde moslim en één over de onaangepaste en barbaarse moslim. Beiden zijn volgens haar stereotypen.

Michelle Hoogsteen bestudeerde voor haar masterscriptie (Niet alle moslims zijn terroristen 2016) de berichtgeving over moslims en de islam in vier landelijke dagbladen na de aanslag op 7 januari 2015 op Charlie Hebdo. Zij concludeert dat er overwegend meer over moslims dan over de islam wordt gesproken. Ook blijkt uit haar onderzoek dat moslims zijn ondervertegenwoordigd in krantenberichten.  Maar, concludeert Hoogsteen, er wordt in de kranten wel degelijk een onderscheid tussen groepen moslims gemaakt. Moslims worden niet als een homogene groep afgespiegeld, ook komt er uit haar onderzoek geen duidelijk ‘wij’versus zij-beeld.

Ineke van der Valk publiceert in 2017 de Derde monitor Moslimdiscriminatie, waarin ze ook aandacht besteed aan moslimhaat op het internet. Zij analyseerde 180.000 artikelen en 260.000 comments op GeenStijl en Powned en concludeerde dat de beeldvorming op beide weblogs over vrijwel de hele linie negatief is. Het onderwerp wordt volgens Van der Valk meestal benaderd vanuit het perspectief van moslims als culturele of politieke bedreiging, of zij worden geframed als object van haat. Ze concludeert:

Markeerpunten in het proces van racialisering van moslims (..) hebben vaak betrekking op kleding en uiterlijk van zowel vrouwen als mannen. Zo worden moslims geïsoleerd van de rest van de samenleving en wordt hun herkenbaarheid vergroot. (..) Hoewel moderatoren grote aantallen uitingen hebben verwijderd, is beledigende, discriminerende en choquerende content nog steeds in overvloed aanwezig.

In hetzelfde jaar doet het Verwey-Jonker instituut in opdracht van Lodewijk Asscher onderzoek naar triggerfactoren van moslimdiscriminatie. Hiervoor werden ruim 3700 jongeren tussen de 12 en 23 jaar ondervraagd. Hieruit bleek dat ongeveer een derde van de jongens en een op de zeven meisjes negatief denkt over moslims.De onderzoekers concluderen datjongeren met weinig contacten met moslims hun oordeel over moslims vooral op berichtgeving in de media baseren en op internet. Zij denken gemiddeld minder positief over moslims in Nederland. Jongeren die wel ervaringen hebben met moslims, vinden de berichtgeving in de media over moslims negatiever dan hun eigen ervaringen.

In 2017 publiceren Nel Ruigrok, Antske Fokkens, Sarah Gagestein en Wouter van Atteveldt het onderzoek Stereotyperende microportretten van moslims in het (politieke) nieuws’ waarvoor ze 622.480 nieuwsberichten hadden doorgenomen die waren verschenen in het AD, De Telegraaf, NRC Handelsblad, Trouw en de Volkskrant en op de weblogs Joop.nl en GeenStijl.

De bijvoeglijke naamwoorden waarmee moslims het meest worden omschreven zijn ‘radicaal’, ‘extremistisch’ en ‘terroristisch. Bij Nederlanders zonder migratieachtergrond worden vaak ‘bekend’, ‘gemiddeld’ en ‘mooi’ gebruikt om ze te omschrijven. Ook blijken Nederlanders zonder migratieachtergrond veel te ‘winnen’, ‘scoren’ en ‘verbeteren’ in de pers, terwijl moslims vooral ‘beledigen’, ‘bekeren’ en ‘verkrachten’. Dit kan volgens de onderzoekers leiden tot blikvernauwing, het voeden van vooroordelen en uiteindelijk tot discriminatie.

Onderzoekster Gagestein in het NRC:„Er is een interessant verschil tussen hoe moslims en Nederlanders aan het woord komen in de media. Moslims worden meestal als leek opgevoerd, in straatinterviews bijvoorbeeld, terwijl autochtone Nederlanders veel vaker als expert aan het woord komen. Als nieuwsprogramma’s vooroordelen willen ontkrachten zouden ze vaker experts met een moslimachtergrond kunnen uitnodigen.

Annebregt Dijkman en Zoë Papaikonomou publiceerden in 2018 het boek ‘Heb je een boze moslim voor mij?’ waarvoor ze ruim vijftig mensen interviewden, voornamelijk journalisten met een migratieachtergrond, over hun ervaringen in de media. Dat leverde een duidelijke conclusie op: de media zijn te wit en kennen een gebrek aan diversiteit en inclusiviteit. Meer perspectieven op een redactie leiden volgens de auteurs tot een kritischere redactie dan een redactie die bestaat uit mensen met dezelfde achtergrond. In het boek leggen ze journalistieke mechanismen bloot die diversiteit en inclusiviteit bevorderen of juist tegenhouden. Ze hebben deze in zeven stappen opgeschreven en stellen dat redacties niet alleen meer een afspiegeling van de samenleving moeten worden, maar dat álle redactieleden ook moeten leren inclusief te denken en te werken. Dat betekent onder andere dat redacteuren een breder netwerk op moeten bouwen, open vragen moeten stellen, zorgvuldig hun woorden moeten kiezen en aan hun deskundigheid moeten werken.

Tot slot sociologe Maartje Boer van de Universiteit Utrecht. Zij onderzocht in 2018 met behulp van gegevens van het YES!-onderzoek (Youth in Europe Survey, waaraan ruim zevenduizend jongeren deelnamen)wat media-aandacht doet met de houding van autochtone jongeren ten opzichte van moslims en concludeert: “Wat blijkt is dat de jongeren die werden geïnterviewd op een dag met veel media-aandacht voor moslims, negatiever dachten over deze groep dan de jongeren die aan het onderzoek meededen op een dag dat er weinig berichtgeving over moslims was. (..) We weten echter niet of het gaat om een blijvend effect, dat is een interessante vraag voor vervolgonderzoek.”

Dit artikel vormde een onderdeel van artikelen die op Republiek Allochtonië en Nieuwwij zijn verschenen in het kader van de verkenning Hoe worden moslims in de vier grootste Nederlandse kranten geportretteerd? Dit is een initiatief van The Hague Peace Projects. Meer hier.

Eerder verscheen:

Foto: pixabay

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s