potlodendiversiteitonderwijsHet basisonderwijs is sterker gesegregeerd dan op grond van de segregatie van wijken verwacht zou mogen worden. Basisscholen zijn vooral gesegregeerd naar opleidingsniveau van de ouders. Verder stijgt de segregatie naar inkomen, terwijl de etnische segregatie daalt. Tussen gemeenten verschilt de mate van segregatie aanzienlijk. Scholen met bijzondere onderwijsconcepten dragen sterk bij aan de segregatie, omdat ze veelal hoger opgeleide ouders trekken. En ‘klein religieuze’ scholen dragen bij aan de etnische segregatie, omdat ze vooral leerlingen trekken met een migratieachtergrond.

Dat zijn enkele conclusies die door de Onderwijsinspectie worden getrokken in De Staat van het Onderwijs.

Hieronder een selectie van relevante of opmerkelijke passages.

Basisonderwijs

In schooljaar 2017/2018 gingen 1,41 miljoen naar de basisschool. Vooral op scholen buiten de stedelijke gebieden neemt het leerlingenaantal af.
Ruim 13 procent van de leerlingen ging in 2016/2017 naar school in een van de vier grote steden; 29 procent van de leerlingen ging in een niet­ of weinig stedelijk gebied naar school.

De groepsgrootte is al vijf jaar stabiel: gemiddeld bestaat een groep uit 23,1 leerlingen. Op een school met meer kinderen die risico lopen op een achterstand zijn de klassen meestal kleiner en op een school met kinderen die minder kans maken op een achterstand zijn de klassen groter.

Inspecteurs zien steeds meer tweetalig onderwijs, technasia/techniekscholen, vernieuwingsscholen en andere bijzondere profielen. Ook vrije scholen en internationale scholen groeien sterk. Verder groeit het aantal leerlingen op islamitische basisscholen. En in het voortgezet onderwijs groeit het niet­bekostigd onderwijs licht.

Ongeveer een kwart van de leerlingen op de basisschool heeft een migratieachtergrond (ten minste één ouder in het buitenland geboren):

  • 8 procent heeft een westerse migratieachtergrond,
  • 2 procent behoort tot de eerste generatie (in het buitenland geboren en ten minste één ouder ook) niet­westers en
  • 15 procent is tweede generatie (in Nederland geboren en ten minste één ouder in het buitenland geboren) niet­westers.

Het aandeel leerlingen met een eerste of tweede generatie migratieachtergrond dat de basisschool nieuw binnenkwam in 2016/2017, is bijna 30 procent. Hierbij is sprake van een toename van het aandeel instromende leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond uit de eerste generatie, van 1,8 procent in 2012 naar 5,1 procent in 2016. Ook is er sprake van een toename van leerlingen met een westerse migratieachtergrond.

Hoge mate van segregatie

In vergelijking met andere landen is het Nederlandse basisonderwijs sterk gesegregeerd. Dit geldt zowel voor etnische als voor sociale groepen. De segregatie naar het opleidingsniveau van de ouders is hoger dan de segregatie naar etnische achtergrond of naar inkomen.

Vooral kinderen van hoogopgeleide ouders gaan vaker naar specifieke scholen, zoals algemeen bijzondere scholen. Dit komt veel voor in de grote steden, in het bijzonder in Den Haag. Segregatie naar opleiding neemt toe in de meeste steden, met uitzondering van de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht). De segregatie naar inkomen stijgt in alle steden.

De etnische segregatie blijft hoog, maar laat wel een duidelijk dalende trend zien. Leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond en leerlingen zonder migratieachtergrond gaan steeds vaker naar dezelfde school.

Voortgezet onderwijs

Ook in het voortgezet onderwijs blijkt de samenstelling van leerlingen ook duidelijk te verschillen per school. Leerlingen zonder migratieachtergrond en kinderen van ouders met een hoge sociaaleconomische status zitten vaker op scholen met hoge eindexamencijfers en op scholen met vergelijkbare leerlingen (en vergelijkbare ouders). En leerlingen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond zitten vaak op scholen met veel leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond en scholen die relatief in de buurt liggen. Zij zitten vaker op scholen waar leerlingen lagere examencijfers halen.

Net als in het basisonderwijs, is de segregatie naar opleidingsniveau van de ouders het grootst, en die naar inkomen en etnische achtergrond kleiner. De trends zijn ook vergelijkbaar met die in het basisonderwijs: segregatie naar etnische achtergrond neemt af, terwijl de segregatie naar sociaal­economische achtergrond toeneemt.

Onderwijsniveau ouders van groot belang

Leerlingen met lager opgeleide ouders krijgen vaker een advies voor een lager onderwijsniveau en minder vaak een advies voor een hoger onderwijsniveau dan op basis van hun eindtoetsscore te verwachten zou zijn. De onderwijsinspectie maakt dit duidelijk met een voorbeeld: van alle leerlingen met een vmbo­g/t eindtoetsresultaat in 2017, kreeg 25 procent van de leerlingen met laagopgeleide ouders een schooladvies van hooguit vmbo­k; voor leerlingen met hoogopgeleide ouders gold dit voor 6 procent.

In 2017 komt evenals een jaar eerder een op de drie leerlingen in aanmerking voor heroverweging van het basisschooladvies, omdat hun toetsscore hoger uitvalt dan verwacht. Net als het jaar ervoor wordt het advies aangepast bij een op de drie leerlingen waar de toetsuitslag wijst op een advies van tenminste een niveau hoger dan het oorspronkelijke advies. Aanpassing van de adviezen vindt vaker plaats bij leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond dan bij leerlingen zonder migratie­ achtergrond. Van de leerlingen zonder migratieachtergrond worden de adviezen vaker bijgesteld als hun ouders hoogopgeleid zijn.

Er zijn ook verschillen tussen steden: kinderen met een niet­westerse migratieachtergrond hebben in Amsterdam de meeste kans op een hoger advies en in Utrecht de minste. Ook krijgen leerlingen met hoogopgeleide ouders in Amsterdam veel vaker een advies dat tenminste een heel niveau boven de toetsscore ligt dan in andere steden.

Scholen geven aan dat zij een schooladvies niet alleen op toetsen en capaciteitstesten baseren: 95 procent kijkt ook naar gedragskenmerken en 43 procent betrekt de thuissituatie van de leerlingen in het advies

Op- en afstroom bij migranten

In het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs zitten leerlingen zonder migratieachtergrond vaker op het geadviseerde niveau dan de leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond, die vaker af­ maar ook vaker opstromen.

Vooral voor de eerste generatie leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond, vaak kinderen van vluchtelingen, geldt dat er vaker sprake is van onderadvisering. Het is kennelijk lastiger voor deze leerlingen een passend schooladvies te geven, bijvoorbeeld omdat taalachterstanden kunnen camoufleren wat deze leerlingen werkelijk aankunnen.

Kinderen met migratieachtergrond vooral op VMBO

In het voortgezet onderwijs verschillen de niveaus ook sterk in samenstelling van de leerlingpopulatie. De scheve verdeling is het meest zichtbaar in de zeer stedelijke gebieden. In de beroepsgerichte leerwegen zitten in meerderheid leerlingen met lager opgeleide ouders en, met name in de steden, leerlingen met een migratie­ achtergrond.

De vwo­afdelingen kennen daarentegen vooral leerlingen met hoger opgeleide ouders en, in de steden, leerlingen zonder migratieachtergrond. In de vier grote steden is de segregatie opvallend groot. Vmbo­b, ­k, ­g/t, havo en vwo bestaan in de G4 in 2016/2017 respectievelijk voor 68 procent,
61 procent, 51 procent, 39 procent, 23 procent uit leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond.

Over de tijd neemt het percentage leerlingen met een migratieachtergrond toe, maar sterker in het vmbo dan in het vwo. Een belangrijke oorzaak van de segregatie naar niveau is de vroege selectie in ons stelsel; op vroege leeftijd worden de leerlingen in niveaus ingedeeld. Lage verwachtingen en verlies van motivatie kunnen hierdoor zeer nadelig uitwerken op de presta­ ties van leerlingen uit kansarme milieus, aldus de OECD (2012, 2016). Juist deze groep hee meer tijd nodig om zich te ontwikkelen en volgt als gevolg hiervan onder­ wijs op een te laag niveau.

Leerlingen met migratieachtergrond zakken relatief vaak

Leerlingen met een migratieachtergrond slagen minder vaak voor hun eindexamen dan leerlingen zonder migratieachtergrond.

Op de havo en het vwo zakt ruim 20 procent van de leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond. Het is volgens de onderwijsinspectie denkbaar dat de lage slaagpercentages juist op deze schoolsoorten komen doordat scholen de (taal)achterstanden van de in het algemeen mondige havo­ en vwo­leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond onderschatten en hen daardoor onvoldoende specifiek ondersteunen. Een ander deel van de verklaring kan zijn dat leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond, vanwege hun gemiddeld lager opgeleide ouders, minder gebruikmaken van betaald ‘schaduwonderwijs’, dat betrekkelijk veel gevolgd wordt door havisten en vwo’ers .

Stapelaars/bergbeklimmers

Leerlingen die, uitgaande van hun eerste diploma in het voortgezet onderwijs, uiteindelijk een veel hoger diploma halen dan verwacht, worden wel ‘bergbeklimmers’ genoemd. Het gaat bijvoorbeeld om leerlingen die na het behalen van een diploma uit de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo een mbo 4­opleiding afronden, of havo­gediplomeerden die een wo­master behalen.

Iets minder dan 10 procent van de leerlingen wordt een bergbeklimmer. Het blijkt dat hoe lager het startniveau is, hoe meer leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond en meisjes naar verhouding een berg beklimmen.

Meer aandacht voor achterstandenbeleid

De onderwijsinspectie is kritisch over het achterstandenbeleid: “Al in 1998 schreven we in De Staat van het Onderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 1998) over de lagere slaagpercentages en de lagere gemiddelde eindexamencijfers van ‘allochtone’ leerlingen. Als oorzaak werd onder meer genoemd dat het achterstandenbeleid onvoldoende doorwerkte in de lessen: leraren bleken weinig elementen uit het tweedetaalonderwijs toe te passen, zoals het systematisch uitbreiden van de woordenschat of het toepassen van leesstrategieën. We constateren nu, twintig jaar later, dat leerlingen met een niet­westerse migratieachtergrond nog steeds kampen met hardnekkige achterstanden. Een gezamenlijke inspanning van beleidsmakers en scholen is nodig om het achterstandenbeleid echt effectief te maken. Driekwart van de scholen heeft doelen gesteld om achterstanden in te lopen constateerden we vorig jaar. Dat zou volgend jaar gewoon 100 procent moeten zijn.”

MBO en Hoger onderwijs

Ook in het mbo en het hoger onderwijs zijn studenten met lager en hoger opgeleide ouders en met en zonder migratieachtergrond niet evenredig over de niveaus verdeeld. Het percentage studenten met laagopgeleide ouders en studenten met een niet­westerse migratie­ achtergrond is vooral hoog in de mbo­niveaus 1 en 2 en relatief laag in het hbo en het wo. Met name het percentage studenten met een niet­westerse migratie­ achtergrond is relatief laag, zowel in het hbo (17 procent) als in het wo (14 procent). Ieder jaar neemt dit percentage licht toe, met een kwart (wo) tot een derde procentpunt (hbo) per jaar. Het wo trekt de laatste jaren vooral meer studenten met een westerse migratieachtergrond (veelal internationale studenten): dit aandeel groeit met 2 procentpunten per jaar.

Lees de hele Staat van het Onderwijs hier

Zie ook:

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s