De Kamervraag is verworden tot een pr instrument

zwaan ewoudbutterKamervragen waren oorspronkelijk bedoeld om informatie in te winnen, maar het instrument wordt nu door parlementariërs vooral gebruikt om een statement te maken of om aandacht te vragen. Dat is verspilling van belastinggeld.

Om het kabinet te kunnen controleren of om wetten te maken, hebben onze parlementariërs verschillende instrumenten, waaronder schriftelijke en mondelinge Kamervragen. De meeste Kamervragen zijn schriftelijk en worden per mail gesteld. De minister aan wie de vraag is gericht, moet de Kamervraag binnen drie weken beantwoorden. Lukt hem of haar dat niet, dan zal de minister dat schriftelijk en met een goede reden aan de Kamervoorzitter moeten laten weten.

Het aantal Kamervragen is de afgelopen decennia flink gestegen: van 200 per jaar in de jaren 50 tot bijna 3.000 per jaar in de afgelopen jaren. In 2015 werden er volgens de website van de Tweede Kamer 2.822 schriftelijke en 157 mondelinge vragen gesteld. Dat was het hoogste aantal sinds 2011, toen het aantal vragen zelfs boven de 3.000 lag.

Volgens de Parlementaire Monitor stelde Joram van Klaveren van de Groep-Bontes/Van Klaveren (Voor Nederland, VNL) in 2015 de meeste schriftelijke vragen. De voormalige PVV’er diende in 2015 115 schriftelijke vragen in. Omdat hij bijna alle vragen samen met zijn fractiegenoot Louis Bontes indiende, staat Bontes op nummer twee met 114 vragen. Renske Leijten (SP) behaalde de derde plaats met 110 vragen. De SP was net als in voorgaande jaren de partij die de meeste Kamervragen (751) stelde.

Eén van de thema’s waar relatief veel schriftelijke vragen over worden gesteld is integratie. Dit thema komt weliswaar bij meerdere ministeries aan de orde, maar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder leiding van Lodewijk Asscher krijgt vanwege haar coördinerende rol op dit thema de meeste vragen. Ik heb daarom gekeken naar de meer dan 60 schriftelijke vragen die sinds begin 2015 door de ambtenaren van minister Asscher over integratiethema’s werden beantwoord.

Ook aan Asscher werden door Joram Van Klaveren en Bontes in deze periode de meeste schriftelijke vragen gesteld. Ruim 20 procent van de vragen was van hen afkomstig. Ze worden op de voet gevolgd door hun voormalige politieke vrienden van de PVV, Geert Wilders en Machiel de Graaf, die 16 procent van de vragen voor hun rekening namen. Ook de voormalige PvdA-Kamerleden Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk, die samen Denk hebben opgericht, stelden relatief veel vragen (15 procent) aan Asscher, evenveel als Sadet Karabulut (SP). De coalitiepartijen VVD (13 procent) en PvdA (8 procent) bleven hierbij achter.

De meeste vragen (82 procent) werden gesteld naar aanleiding van een nieuwtje uit de media, meestal een bericht uit de geschreven pers (vooral De Telegraaf en in mindere mate het NRC Handelsblad, De Volkskrant en het AD). Op het internet vormden berichten op GeenStijl de belangrijkste aanleiding voor een Kamervraag (drie keer stelde de PVV een vraag naar aanleiding van een bericht op GeenStijl).

”Waaraan ontleent de islam, die een staatsondermijnende totalitaire ideologie is en die het vrije Westen de oorlog heeft verklaard, het recht op vertegenwoordiging in een gesprek met een regeringsdelegatie in nota bene de Ridderzaal?”(PVV)

Bijna de helft van de schriftelijke vragen ging over de islam of daaraan door parlementariërs gerelateerde onderwerpen. Zo werden er diverse vragen gesteld over de komst van islamitische predikers en over moskeeën in Gouda, Utrecht en Eindhoven, maar ook kwamen er vragen over radicalisering, jodenhaat onder moslims en moslimdiscriminatie.

Voor VNL (Bontes/Van Klaveren), de PVV en in mindere mate de VVD is de islam met voorsprong het belangrijkste onderwerp om Kamervragen over te stellen. Ook Kuzu en Öztürk profileren zich met hun Kamervragen nadrukkelijk op islam en de Turkse achterban van deze partij. Net als overigens PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch, vragen de heren van Denk aandacht voor (moslim)discriminatie. Andere onderwerpen waarover meerdere keren vragen aan Asscher werden gesteld zijn het inburgeringsbeleid, antisemitisme en de asielopvang.

Geregeld kreeg de minister het verzoek zich uit te spreken over de opvattingen van een individu. Dat kon een prediker zijn, maar ook vroeg de PVV bijvoorbeeld of de minister de mening deelde dat een speech van Eurocommissaris Federica Mogherini een aaneenschakeling was ”van wereldvreemd cultuurrelativisme en capitulatie voor de islam?” Ook stelde de PVV aan Asscher de onzinnige vraag: ”Kunt u bevorderen dat deze waanzinnige EU-functionaris naar Saoedi-Arabië wordt verbannen?”

‘Deelt u de mening dat Arabisch een irrelevante woestijntaal is die geen enkele relevantie heeft voor de ontwikkeling van kinderen op Nederlandse scholen? Zo nee, waarom niet?”(PVV)

In ruim 40 procent van de schriftelijke Kamervragen werd de minister gevraagd zijn mening te geven over een lokale situatie. Het ging dan bijvoorbeeld om vragen over de verbouwing van een moskee (Gouda), Arabisch op een school in Blerick of een Turks-Nederlandse vereniging die problemen heeft met een Zaans buurthuis. Onlangs kwamen daar nog vragen bij van VVD-kamerlid Sjoerd Potters over halalzwemmen in Breda.

Natuurlijk worden er door de meeste partijen ook nuttige onderwerpen aan de orde gesteld, maar te veel vragen zijn niet relevant, gaan over onderwerpen waar de minister weinig tot niets over te zeggen heeft of zijn door de minister juist in vele varianten al eerder beantwoord. Opvallend is ook dat er zelden een vervolg aan het antwoord op een Kamervraag wordt gegeven.

Het zou interessant zijn wanneer eens kritisch naar gebruik van dit parlementaire instrument zou worden gekeken. Door hoeveel mensen wordt het antwoord op Kamervragen gelezen en wat wordt vervolgens met deze informatie gedaan? In hoeverre draagt de verkregen informatie bij aan de controle van het kabinet of aan het maken van wetten? Had het Kamerlid de verkregen informatie ook op een goedkopere en snellere manier kunnen krijgen? Ik vrees dat het resultaat van zo’n onderzoek ontluisterend zal zijn.

”Deelt u de mening dat wanneer kinderen hun opa en oma in Marokko vaker willen spreken en beter willen begrijpen, dat deze kinderen met hun ouders het beste permanent in Marokko kunnen gaan wonen? Zo nee, waarom niet?” (PVV)

Voormalig VVD-leider Hans Wiegel zei ooit: ”Als een Kamerlid iets wil weten, dan belt hij het departement. Als een Kamerlid in de krant wil komen, stelt hij een Kamervraag.” Helemaal correct is het laatste deel van de uitspraak van Wiegel niet. De meeste Kamervragen halen namelijk nooit de krant. Toch worden ze wel als pr-instrument gebruikt. Bijvoorbeeld wanneer ze gedeeld worden via partijkanalen en sociale media. Een Kamerlid kan op die manier aan zijn achterban laten weten wat hij of zij doet en zichzelf profileren.

Dat was niet de oorspronkelijke bedoeling van de Kamervraag en is bovendien zonde van het geld. Het ministerie van Binnenlandse Zaken schatte in 2011 de kosten voor het beantwoorden van Kamervragen op 11 miljoen per jaar, ongeveer 3.750 euro per beantwoorde vraag. Inmiddels zal dat weer duurder zijn geworden.

De grote hoeveelheid aan onzinnige Kamervragen is niet alleen geldverspilling, maar holt ook de waarde van dit parlementaire middel uit. Een Kamervraag is immers meer dan een persbericht.

 

 

Dit stuk is eerder verschenen in ZamanVandaag

One thought on “De Kamervraag is verworden tot een pr instrument

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s