Is specifiek beleid voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren succesvol?

In maart van dit jaar suggereerde het actualiteitenprogramma Eénvandaag in twee enigszins schreeuwerige uitzendingen dat het Marokkanenbeleid in 22 Nederlandse gemeenten mislukt zou zijn.
Die conclusie leek voorbarig. De uitzendingen maakten weliswaar duidelijk dat er veel subsidie ging naar de gemeenten zonder dat er duidelijke prestatieafspraken waren gemaakt, maar harde cijfers die aantoonden dat het beleid mislukt is, waren er niet. Harde cijfers dat het beleid gelukt zou zijn, waren er trouwens ook niet.

Inmiddels zijn er wel cijfers. Niet alleen over ‘Marokkanengemeenten’, maar ook over ‘Antillianengemeenten’. Minister Donner heeft eind oktober de rapportages Marokkaanse Nederlanders 2011 en Antilliaanse Nederlanders 2011 naar de Kamer gestuurd. Hierin worden de resultaten in gemeenten waar specifiek beleid voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren wordt gevoerd, vergeleken met cijfers van een jaar geleden toen voor het eerst een meting werd verricht.


Hieruit blijkt dat het nog niet gelukt is het aantal schoolverlaters en werklozen onder jongeren van Marokkaanse en Antilliaanse afkomst te verminderen. Het aantal voortijdig schoolverlaters in deze groep is zelfs licht gestegen, evenals het aantal werklozen. Op het meest gevoelige terrein, de bestrijding van criminaliteit en overlast, is volgens de gemeenten echter wel sprake van enige verbetering.

Het ministerie benadrukt in een begeleidende brief dat het niet reeel is na een jaar beleid al veel concrete verbetering te verwachten. Zichtbare vooruitgang op basis van de cijfers was in deze rapportages over het eerste jaar nog niet te verwachten, schrijft het ministerie in een toelichting. “Veel maatregelen zijn in 2010 ingevoerd en kunnen nog nauwelijks in de resultaten tot uitdrukking komen.”

Rapport ‘hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?

Over het algemeen hebben gemeenten meer geinvesteerd in tegengaan van ‘overlast’ en ‘criminaliteit’ dan in ‘school’ en ‘werk’. Dat concludeert het gemeentelijk samenwerkingsverband Marokkaans-Nederlandse risicojongeren na een inventarisatie van de inspanningen en resultaten in de betrokken gemeenten. De resultaten van deze inventarisatie zijn gepresenteerd in het rapport ‘hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?’. Dit rapport is ook door Donner naar de Kamer gestuurd.

Bij de thema’s ‘voortijdig schoolverlaten’ en ‘werk’ wordt volgens dit rapport niet veel aandacht besteed aan een specifieke aanpak voor de Marokkaans-Nederlandse doelgroep. Gemeenten verwijzen op die thema’s vaak naar de reguliere activiteiten van bijvoorbeeld sociale diensten of jongerenloketten.

Op grond van de inventarisatie in de betrokken gemeenten, concludeert het rapport;

  •  “Gemeenten beseffen dat het voor een effectieve aanpak nodig is te beginnen met het doorbreken van de anonimiteit van de risicojongeren. Daarom zetten zij, liefst permanent maar in ieder geval tijdens de kritieke uren van de week, functionarissen in die zich ophouden waar ook de jongeren zich bevinden. Het zijn de ‘extra ogen en oren’ op straat.
  • Door de inzet in de wijk en dichtbij de jongeren, signaleren gemeenten sneller waar het met een jongere of groepen jongeren fout kan gaan en kunnen zij eerder en doeltreffender optreden.
  • Voor het benaderen van (jongeren binnen) groepen, ontwikkelen zij een specifieke ‘groepsaanpak’.
  • Voorwaarde voor een doeltreffende aanpak is dat, naast alerte signaleerders in de wijk, voldoende en professionele achtervang van alle relevante partners in de aanpak beschikbaar is. Dat lijkt het geval.
  • Meestal zijn deze partners georganiseerd in een casusoverleg. De jongeren die door de straatcoaches of andere professionals in de wijk zijn gesignaleerd, worden daar ingebracht ter bespreking.“

Prestatie- en resultaatafspraken

Kritiek is er ook: “Gemeenten formuleren de doelen voor de aanpak van Marokkaans-Nederlandse risicojongeren vaak in abstracte termen (bevorderen, versterken, tegengaan, verhogen, etc.). In enkele gevallen worden ambities in concrete percentages genoemd. Gemeenten maken prestatieafspraken met uitvoeringsorganisaties voor wat betreft verwachte inspanningen, maar slechts incidenteel geven gemeenten aan ook te verlangen dat de interventies een bepaald (maatschappelijk of individueel) en meetbaar effect moeten behalen.”

Vergelijkbare kritiek kwam ook al naar voren in de eerdergenoemde uitzendingen van EénVandaag. Het ontbreken van prestatieafspraken en (afspraken over) meetbare resultaten gaat overigens niet alleen bij deze problematiek op. Uit een in september gepresenteerd onderzoek blijkt dat tweederde van de gemeenten moeite heeft met het maken van concrete en meetbare afspraken met gesubsidieerde instellingen en vaak worden deze afspraken überhaupt niet gemaakt.

Onderzoek

Alle gemeenten hanteren wel vormen van onderzoek voorafgaande aan, tijdens of na uitvoering van interventies en/ of trajecten. Ook geven sommige gemeenten volgens het rapport veel aandacht aan de evaluatie of monitoring van interventies die zich specifiek op de doelgroep richten. Hierop baseren zij vervolgens ook hun nieuwe beleid. Kleinere gemeenten kiezen eerder voor erkende (evidence-based) interventies waardoor ze niet zelf hun interventies met werkzame bestanddelen hoeven te ontwerpen en testen.

Specifiek of regulier beleid

Volgens het rapport ‘Hoe specifiek is regulier beleid (en andersom)?’ heeft het ‘Marokkanenbeleid’ in de uitvoering meestal niet geleid tot specifiek beleid, maar tot het introduceren van specifieke aandacht voor de doelgroep binnen het reguliere beleid. ”Veel meer dan van ‘specifiek beleid’ kan daarom gesproken worden van het versterkenvan ‘cultuursensitiviteit’ binnen het reguliere beleid.”

Conclusie

In het rapport wordt geconcludeerd dat het beleid in de 22 gemeenten “ veel positieve inzet heeft opgeleverd”. De ‘cultuursensiviteit’ die de gemeenten vanuit de ‘Marokkanen-aanpak’ in hun beleid hebben geintroduceerd, zal ook andere niet-Westerse groepen ten goede komen en uiteindelijk de effectiviteit van het totale beleid.

Of het beleid op korte termijn tot resultaten zal leiden is volgens het rapport moeilijk te zeggen. “Het gaat om jongeren (en omgeving) met complexe problemen. Bovendien is het realiseren van een trendbreuk niet alleen afhankelijk van op de doelgroep gerichte interventies maar ook van de invloeden van andere zaken als algemene, maatschappelijke ontwikkelingen die los van deze doelgroep staan maar deze soms wel extra hard raken. Gemeenten hebben daar weinig invloed op, evenals op de inzet van de concrete, individuele professional wiens persoon in belangrijke mate bepalend is voor het al dan niet vinden van de juiste aansluiting bij de jongeren en gezinnen. Dit laat onverlet dat het aannemelijk is dat de gezamenlijke inspanningen positieve effecten zullen hebben.”

Alle 22 gemeenten willen die kennis en ervaring, op enigerlei wijze, implementeren in hun reguliere aanpak. De verwachting is echter dat vanwege de grote bezuinigingen bij het Rijk en de gemeenten, de toekomstige middelen niet zullen volstaan om alle nieuwe ontwikkelingen in het reguliere beleid te kunnen opnemen. Daarover maken sommige gemeenten zich volgens het rapport zorgen. De angst bestaat dat waardevol gebleken, maar te kostbare interventies zullen verdwijnen.

De betrokken gemeenten ontvangen tot eind 2012 geld voor de extra aanpak. Daarna stopt de subsidie. Donner schrijft dat de betrokken gemeenten resultaten zien van het geïntensiveerde beleid en dat zij daarom bereid zijn te blijven investeren in de ontwikkelde aanpak.

Vanaf 2012 wordt het beleid voor speciale doelgroepen afgeschaft, zoals vastgelegd in de Integratiebrief. De aanpak en de daarop gebaseerde maatregelen moeten daarom vanaf 2012 voor iedereen gaan gelden. “Afkomst speelt daarbij geen rol” schrijft Donner.

Wanneer het specifieke beleid verdwijnt en er ook geen resultaatafspraken worden gemaakt, zal het waarschijnlijk gissen blijven of het specifieke projecten voor Marokkaanse en Antilliaanse jongeren succesvol zijn geweest of niet. Discussies over het onderwerp zullen gevoerd blijven worden op grond van ‘beelden’ en minder op grond van ‘feiten’.

Ewoud Butter is freelance onderzoeker en schrijver en hoofdredacteur van Republiek Allochtonië

Lees of bekijk ook::

Links naar de rapporten (alle links verwijzen naar de website van het ministerie van Binnenlandse Zaken); 

Gemeenten met Antiiliaanse en Marokkaanse Nederlanders

Gemeenten met Marokkaanse Nederlanders

Gemeenten met Antilliaanse Nederlanders

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s