Integratiebeleid Rutte I mist onderbouwing

Minister Donner (Binnenlandse Zaken) heeft vorige week een brief en beleidsnotitie aan de Tweede Kamer gestuurd over integratie, binding en burgerschap.

Het kabinet spreekt zelf van een koerswijziging waarmee Rutte 1 afstand neemt van “het relativisme dat besloten ligt in het model van de multiculturele samenleving”. Het is een stelling die niet onderbouwd wordt. Het kabinet laat na dit model van de multiculturele samenleving te omschrijven. Het is dan ook niet duidelijk of er ooit kabinetten zijn geweest die wel het door het kabinet beoogde model van de multiculturele samenleving omarmd hebben.

Volstrekt onduidelijk blijft in de nota ook het verband tussen de gesignaleerde problemen en de gesuggereerde oplossingen. Verwijzingen naar conclusies uit wetenschappelijk onderzoek ontbreken bijna volledig. Wel wordt er verwezen naar ‘ervaringen’. Het blijft daarom vaak onduidelijk waarop het beleid gestoeld is.

Problemen
Het kabinet geeft in het rapport een lijst van problemen met integratie. Hieronder noem ik er enkele.

Zo is de schooluitval onder Marokkaans-Nederlandse en Antilliaans-Nederlandse jongeren aanzienlijk hoger dan onder autochtone jongeren en heeft een kwart van de jongeren uit deze groepen geen werk. Ook worden jongens uit deze groepen vijf maal zo vaak als autochtone jongeren verdacht van criminaliteit.

De integratie- en arbeidsparticipatie van vluchtelingengroepen x96 vooral Somalixebrs – verloopt zeer moeizaam. Hun arbeidsparticipatie ligt ook veel lager dan onder de vier grote niet-westerse groepen (Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen).

De afstand in arbeidsmarktdeelname tussen Nederlanders met een niet-westerse achtergrond en autochtone Nederlanders is nog altijd groot (69% versus 53% in 2010). Dit uit zich ook in een hoge uitkeringsafhankelijkheid.

Verder signaleert het kabinet onderling wantrouwen en van gevoelens van achterstelling. Zo vond tussen 2008 en 2010  49% tot 57% van de lager opgeleiden dat Nederland een prettiger land zou zijn als er minder niet-westerse migranten zouden wonen.

41% van de autochtone Nederlanders heeft het idee dat de westerse levenswijze en een islamitische levenswijze niet samengaan (dit onderzoeksresultaat wordt zelfs twee keer genoemd). Het kabinet verwijst in dit verband naar ontwikkelingen in de islamitische en Arabische wereld. Berichtgeving over aanslagen en andere gewelddadige acties door organisaties die claimen x91de islamx92 te representeren voeden volgens het kabinet de onzekerheid over het bestaan van culturele verschillen tussen de westerse en de islamitische wereld.

Analyse?
Na de opsomming van problemen zou je een analyse van de oorzaken verwachten, maar die ontbreekt geheel in de visienota van het kabinet. Er wordt wel aangegeven dat specifieke groepen blijkbaar specifieke problemen hebben, maar de mogelijke oorzaken hiervan worden niet genoemd. Wetenschappelijk onderzoek dat hiernaar wel is verricht, wordt in de nota genegeerd.

Oplossingen
Door het achterwege blijven van probleemanalyses, is ook niet duidelijk op welke veronderstellingen de voorgestelde oplossingen, soms vaag, soms concreet, zijn gebaseerd.

Tamelijk vaag is de nota wanneer het kabinet verwijst naar de typische Nederlandse waarden. In het integratiebeleid horen volgens het kabinet de Nederlandse samenleving en de waarden waarop deze berust, centraal te staan. Daar zal niemand op tegen zijn, maar wat zijn die waarden dan? Welke waarden worden bijvoorbeeld even ruimhartig omarmd in een zwarte-kousen familie op de Bible-belt als door een relnicht aan de Amsterdamse grachten? Het kabinet probeert de waarden in een wollig stuk te omschrijven en komt uiteindelijk niet veel verder dan de (typisch Nederlandse?) waarden vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en solidariteit.

Het kabinet stelt verder dat zij van mensen die zich in Nederland willen vestigen, verwacht dat zij hun bijdrage leveren aan versterking van de maatschappelijke samenhang en betrokkenheid en burgerschap tonen. In zijn brief stelt Donner dat integratie niet de verantwoordelijkheid is van de overheid, maar van degenen die zich in Nederland vestigen. Concreter wordt het wanneer de minister stelt dat hij van mensen die hier naar toe komen, verwacht dat ze zelf – op eigen kosten – de taal leren en kennis opdoen van de Nederlandse samenleving.

Wat ook concreet is dat het doelgroepenbeleid wordt afgeschaft. Het kabinet schrijft: “De ervaring leert [..] dat maatregelen die gericht zijn op specifieke etnische groepen, mensen opsluiten in groepen en de scheidslijnen daartussen benadrukken,” stelt het kabinet. Het is zoals vaker in de nota een stelling die op ‘ervaring’ en niet op onderzoek wordt gebaseerd. De vraag is ook wat de consequenties zijn van dit beleid, omdat specifiek doelgroepenbeleid al sinds de invoering van het minderhedenbeleid in Nederland ter discussie staat (zie artikelen hier en hier) en uiteindelijk maar in beperkte mate van de grond is gekomen (onder andere in de vorm van subsidies voor migrantenorganisaties en specifieke cursussen voor migranten). In veel gemeenten zijn deze vormen van doelgroepenbeleid al lang afgeschaft. MIgrantenorganisaties krijgen daar meestal geen subsidie meer vanwege hun etnische achterban, maar alleen wanneer ze concreet bijdragen aan de uitvoering van lokaal beleid.

Crimineel gedrag zal volgens het kabinet voortaan bestreden worden zonder dat afkomst daarbij een rol speelt. Al eerder was bekend geworden dat op dit terrein het doelgroepenbeleid zal worden afgeschaft. Over specifiek Marokkaanse of Antilliaanse criminele jongeren zal – als het goed is- dus door dit kabinet niet meer worden gesproken in beleidsstukken.

Zelf geloof ik ook niet in het klassieke doelgroepenbeleid (zie hier), maar wel in een vorm van mainstreaming. Overigens laat het kabinet nog wel een kleine mogelijkheid voor mainstreamingsbeleid wanneer zij verklaart:” Beleid moet werken voor alle groepen in de samenleving. Waar dat niet het geval is, wordt bijgestuurd op het algemene beleid” en dan komt de ontkrachtende toevoeging: “en wordt niet langer gegrepen naar specifieke instrumenten.”

De achterstanden die allochtonen in het onderwijs en op de arbiedsmarkt hebben, zullen volgens het kabinet via regulier beleid op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en wonen worden aangepakt. Dit is overigens al jaren steeds meer praktijk geworden. Door de afwezigheid van een analyse van het kabinet blijft onduidelijk waarom het kabinet dit beleid voortzet.

Het kabinet balanceert op het randje van de scheiding van kerk en staat wanneer zij stelt dat “de moslimgemeenschap zelf en voorgangers van de islam [lees imams] een taak hebben om duidelijk te maken dat radicalisering en anti integratieve en antidemocratische uitingen niet inherent zijn aan de islam en daar afstand van moeten nemen.” Het kabinet gaat hier over de grens van de scheiding van kerk en staat omdat die scheiding van de overheid vraagt zich niet met de inhoud van de religie heeft te bemoeien, net zo min als kerkelijke instanties trouwens invloed mogen hebben op regeringsbeleid. Het kabinet kan met andere woorden van moslims eisen dat ze zich aan de wet houden en geen activiteiten ondernemen die de staatsveiligheid in gevaar brengen, maar het heeft geen biet te zeggen over de taken en de uitspraken van imams.

Enkele andere, concrete maatregelen:
? de Wet inburgering wordt gewijzigd en aangescherpt waardoor de drempel vooral voor laagopgeleide en migranten hoger wordt;
? er komt een wetsvoorstel voor de strafrechtelijke aanpak van huwelijksdwang en er wordt ingezet op het voorkomen daarvan; dit past in al langer lopend beleid;
? er komt, en dat is wel nieuw, een wetsvoorstel om gelaatsbedekkende kleding in de openbare ruimte te verbieden;
? er komt een gezamenlijke agenda voor hedendaags burgerschap, die in samenwerking met gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers wordt opgesteld.

Er is al met al geen sprake van een spectaculaire vernieuwing van het beleid. Het klassieke cultuurrelativisme waar het kabinet nadrukkelijk afstand van neemt, wordt al jarenlang door geen enkele partij meer volop ondersteund. De nieuwe visie op het kabinetsbeleid betekent vooral een forse bezuiniging op het lopende integratiebeleid. Het kabinet geeft er minder aan uit en wil dat de burgers zelf meer gaan betalen. Diverse subsidies staan ter discussie en in sommige gevallen is dat, vind ik, terecht.

Maar volstrekt duister blijft wat dit beleid zal gaan bijdragen aan bijvoorbeeld lagere schooluitval onder Marokkaanse jongeren, minder werkloosheid onder Somalische mannen en vrouwen, minder gezondheidsproblemen bij Turkse jongeren, het tegengaan van huiselijk geweld, verlaging van criminaliteit onder Marokkaanse en Antilliaanse jongens, minder angst voor de islam onder autochtonen, het tegengaan van radicalisering etc. etc.

Vooral in de onderwijs- en arbeidsmarktparticipatie van migranten zal flink geinvesteerd moeten worden. Dat is niet alleen in het belang van migranten, maar met het oog op de vergrijzing, van de hele samenleving. Het is prima dat het kabinet hogere eigen stelt aan de taalbeheersing van toekomstige inburgeraars, maar verder doet het kabinet haast niets: en daarmee is er nog weinig verbeterd aan de arbeidsmarktpositie van degenen die hier -soms al jaren- buiten het arbeidsproces staan en waarschijnlijk zullen blijven staan.

De rekening wordt dan uiteindelijk gelegd bij de samenleving.

Zie ook:

Integratienota integratie, binding, burgerschap (pdf)

De zin en onzin van het minderhedenbeleid

Meer over doelgroepenbeleid hier

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s