De zin en onzin van migrantenorganisaties

tekst: Ewoud Butter

Migrantenorganisaties worden ze genoemd, of zelforganisaties en soms allochtone vrijwilligersorganisaties. Twintig jaar geleden werden ze nog beschouwd als een ideaal middel om integratie te bevorderen, tegenwoordig worden ze vaker gezien als bolwerken van segregatie. Zijn de voorlieden van deze organisaties echte bruggenbouwers die groepen bereiken die anderen niet bereiken of zijn het subsidiesponzen van  eerste generatie migranten die vooral met hun eigenbelang bezig zijn? In veel gemeenten is al bezuinigd op subsidies aan deze organisaties, veel andere gemeenten overwegen het. Een artikel over de beperkingen en de waarde van deze organisaties.

Op zich is er niets vreemds aan dat migranten zich in den vreemde organiseren. Nederlanders doen dat ook. In iedere regio waar meer dan 3 Nederlanders wonen is er al snel een Nederlandse club, een Oranjevereniging, een kerk, een klaverjasclub, een ondernemers- of carnavalsvereniging, een tv – of een radiozender. En op al die plekken koesteren ze vaak verstilde vormen van Nederlandse cultuur. Ze vieren Sinterklaas en Koninginnedag, nuttigen bitterballen, drop, haring en oranjebitter en dansen met overgave de klompendans. Deze Nederlandse clubs zijn er niet alleen voor de gezelligheid, ze behartigen ook de belangen van de Nederlandse migranten en geven praktische informatie over het nieuwe land en de lokale cultuur.

Onderling spreken ze op deze clubs Nederlands. Dat is niet alleen gezellig en vertrouwd, het is ook praktisch: in het Nederlands kun je soms dingen beter uitleggen dan in het Engels, het Arabisch of het Swahili. Bovendien blijken ouderen vaker terug te vallen op hun moedertaal en vinden ouders het prettig wanneer hun kinderen hun eigen taal en cultuur kennen.

Verschillen tussen allochtone en autochtone vrijwilligersorganisaties
In Nederland organiseren immigranten zich ook al eeuwenlang in vrijwilligersorganisaties. In veel opzichten lijken deze organisaties op autochtone vrijwilligersorganisaties. Ze worden in stand gehouden door burgers die zich onbetaald inzetten voor anderen of voor de samenleving als geheel. Migrantenorganisaties lopen daarbij meestal tegen dezelfde problemen op als autochtone organisaties.

Het belangrijkste verschil is dat de bestaansgrond van migrantenorganisaties niet een gemeenschappelijke hobby, interesse, belang of politieke opvatting is. De leden van migrantenorganisaties zoeken elkaar op omdat ze de behoefte hebben om zich te organiseren op een gemeenschappelijke etnische of religieuze achtergrond.  Dat heeft als consequentie dat migrantenorganisaties zich – in vergelijking met autochtone vrijwilligersorganisaties – minder op speciale doelgroepen (jongeren, vrouwen, ouderen, homoseksuelen, gelovigen, politieke voorkeuren) of activiteiten richten; ze houden zich meestal  tegelijkertijd met meerdere doelgroepen en uiteenlopende activiteiten bezig.

Tot slot hebben migrantenorganisaties in vergelijking met autochtone vrijwilligersorganisaties vaak een groot gebrek aan vrijwilligers die de kennis, vaardigheden en contacten hebben die het gemakkelijk maken om als organisatie te overleven. Migrantenorganisaties zijn vaak sterker afhankelijk van een klein groepje of soms zelfs een enkele bestuurder. Ze hebben daarom ook vaak een grotere behoefte aan externe ondersteuning dan autochtone organisaties. Dat maakt deze organisaties kwetsbaar, zeker omdat ze ook een rol krijgen of zelf claimen bij de emancipatie en participatie van hun achterban.

De voorzitter van de klaverjasvereniging zal nooit worden aangesproken op de emancipatie van zijn leden, de voorzitter van een migrantenorganisatie wel. En dat is een rechtstreeks gevolg van de wijze waarop migrantenorganisaties een rol hebben gekregen in het Nederlandse minderhedenbeleid.


Migrantenorganisaties in het Nederlandse minderhedenbeleid
De eerste architecten van het Nederlandse minderhedenbeleid, voornamelijk bewindslieden van CDA en VVD-huize, kozen namelijk begin jaren 80 voor een typisch Nederlandse vorm van groepsgewijze emancipatie die in het verlengde lag van de wijze waarop in vroeger tijden de kleine luyden en de katholieken zich binnen het Nederlandse zuilensysteem hadden geëmancipeerd.
Allochtonen konden daarom ‘integreren met behoud van eigen (culturele) identiteit’,  ondersteund door eigen organisaties en eventueel ook eigen scholen en omroepen. De groepsgerichte emancipatie sloot ook mooi aan bij de ‘wij-cultuur’ die de niet-westerse allochtonen in de interculturele handboeken werd toegedicht.

Er werd veel verwacht van de emancipatiekracht van migrantenorganisaties en de voorlieden van deze organisaties werden al snel als ‘vertegenwoordigers’ van hele gemeenschappen beschouwd.
 
De kracht van migrantenorganisaties
Migrantenorganisaties kregen aldus niet alleen tot taak activiteiten op het terrein van vrije tijd, cultuur en religie te ontwikkelen, maar ze vroegen en kregen van lokale overheden ook een rol om de maatschappelijke participatie van hun achterban te bevorderen. 
Deze rol kregen ze omdat veel migrantenorganisaties gemakkelijker toegang tot hun achterban hebben dan veel reguliere instellingen. Ze beschikken over netwerken binnen hun eigen gemeenschappen, hebben kennis van de culturele en religieuze codes die daar gelden en weten wie ze op welke wijze moeten aanspreken. Omgekeerd kunnen ze vanwege hun toegang tot deze groepen eventuele problemen eerder signaleren. 

Juist door de toegang die de organisaties hebben tot hun leden of bezoekers, kunnen ze als intermediair fungeren en bijdragen aan de maatschappelijke participatie van hun achterban.

Het is daarom te kort door de bocht deze organisaties bolwerken van segregatie te noemen. Natuurlijk, een Turkse organisatie is een verzamelplek van Turken, net zo goed als een voetbalclub een verzamelplek van voetballiefhebbers is. Maar in tegenstelling tot voetbalclubs bieden veel migrantenorganisaties ook activiteiten als Nederlandse taallessen, huiswerkbegeleiding, debatten over vrouwenemancipatie of voorlichtingsbijeenkomsten over verkiezingen, schoolkeuze of een ziekte als diabetes.

Kweekvijver
Ook zijn verschillende migrantenorganisaties een kweekvijver van talentvolle bestuurders. Veel allochtone bestuurders en ambtenaren zijn ooit begonnen bij een migrantenorganisatie. Zo is – naar schatting – meer dan de helft van de allochtone politici in het verleden actief geweest bij een migrantenorganisatie. Van de huidige allochtone Tweede Kamerleden geldt dit bijvoorbeeld voor Tofik Dibi (HTIB), Sadet Karabulut (DIDF), Coskun Cörüz (Cemyc, Islamitische Raad Nederland), Ahmed Marcouch (UMMAO), Khadija Arib (MVVN) en Kathleen Ferrier (Samen Kerk in Nederland).
Tot zover het positieve nieuws.

De beperkingen

Migrantenorganisaties liepen al snel na de invoering van het minderhedenbeleid ook tegen hun beperkingen aan.
Veel organisaties presenteerden zich als gelijkwaardig aan professionele instellingen, maar konden dat vaak door een gebrek aan kennis en vaardigheden niet waar maken. Voor grootschalige projecten bleken de organisaties, meestal geleid door eerste generatie laag opgeleide mannen, zelden de capaciteiten en de middelen te hebben. 


Bovendien stuitten ze geregeld op openlijke of versluierde tegenwerking van lokale overheden en instellingen, soms overigens ook het gevolg van onhandig optreden van vertegenwoordigers van de migrantenorganisaties. Tot hun grote frustratie bleef hun rol meestal beperkt tot het leveren van ‘onbereikbare allochtonen’, zonder dat de migrantenorganisaties daarvoor een vergoeding of inspraak kregen. En dat leverde geregeld spanningen op tussen deze vrijwilligersorganisaties en algemene ‘professionele’ instellingen in het gesubsidieerde arbeids-, onderwijs- en welzijnscircuit.

Deze spanningen werden versterkt door de tegenstelling tussen de algemene, inclusieve benadering (“we zijn er voor iedereen”) van de algemene instellingen en de categorale benadering (“we richten ons vooral op onze eigen groep”) van de migrantenorganisaties.

Interne conflicten
De daadkracht van de organisaties werd bovendien verzwakt doordat veel organisaties intern te kampen kregen met conflicten die meestal gingen over het voorzitterschap, het woordvoerderschap of over geld.

Niet alleen een gebrek aan geld leidde tot problemen, ook een overvloed aan subsidies kom soms schadelijke effecten hebben. Zo maakte ik halverwege de jaren 90 van dichtbij mee hoe het KMAN, destijds de grootste marokkaanse organisatie, ineenstortte nadat de organisatie voor een paar projecten flinke subsidies had gekregen. Trouwe vrijwilligers (‘kaders’) hoopten eindelijk een betaalde baan te krijgen, bestuurders vertrouwden elkaar het beheer over de centen (floes) niet toe en de organisatie kende te weinig inhoudelijke deskundigen.

Problemen die ook bij andere organisaties voorkwamen en nog steeds voorkomen: zie bijvoorbeeld hoe onlangs de moslimomroepen ten onder zijn gegaan.



Integratiedebat
Ook het maatschappelijke debat over integratie heeft de positie van migrantenorganisaties geen goed gedaan. Werden ze tien jaar geleden nog als een belangrijk instrument gezien om de emancipatie en participatie van allochtonen te bevorderen, nu lijken ze vooral symbool te zijn geworden van een mislukt integratiebeleid. Er is minder vertrouwen in collectieve vormen van emancipatie omdat die te weinig ruimte kunnen bieden aan de emancipatie van minderheden binnen de minderheden (zoals vrouwen en homo’s).

De waarde die in de jaren ’80 nog werd gehecht aan ‘emancipatie in eigen kring’, aan zuilvorming en integratie met behoud van eigen cultuur, maakte in de loop der jaren plaats voor het beeld dat de eigen cultuur juist een oorzaak van de achterstand was. Het ‘cultureel anders zijn’ van allochtonen werd geproblematiseerd. Allochtonen en hun organisaties kregen het gevoel dat ze ter verantwoording werden geroepen voor extremiteiten of rariteiten die ze zelf niet als (wezenlijk) onderdeel van hun cultuur of religie beschouwden.

Het netto effect van het problematiseren van de religie en cultuur van migranten is vooral geweest dat migranten zich verder in het defensief gedrongen voelden, vaker steun bij elkaar zochten en meer waarde zijn gaan hechten aan hun culturele of religieuze roots.

Verzakelijking
Migrantenorganisaties hebben, net als andere vrijwilligersorganisaties, de afgelopen jaren ook klappen gehad door de verzakelijking van de welzijn- en zorgsector. In de strijd om subsidies en aanbestedingen moeten vrijwilligersorganisaties vaker concurreren met professionele instellingen die meer tijd en kennis in huis hebben om aan gedetailleerde subsidievoorwaarden of Programma’s van Eisen te voldoen.
Hierbij doet zich overigens de paradox voor dat de (lokale) overheid enerzijds verklaart te willen terugtreden, maar zich tegelijkertijd door outputfinanciering, aanbestedingen en accountability steeds meer inhoudelijk bemoeit met de besteding van subsidies. ‘Wie betaalt, bepaalt’ is daarbij het adagium. Het heeft ertoe geleid dat burgers en maatschappelijke instellingen enerzijds door de overheid worden opgeroepen meer eigen verantwoordelijkheid te nemen, maar daarvoor tegelijkertijd minder ruimte hebben gekregen.

Pijlers voor Bruggenbouwers
Vier jaar geleden deed ik namens ACB Kenniscentrum in de publicatie Pijlers voor Bruggenbouwers verslag van een onderzoek naar het wel en wee van 68 migrantenorganisaties en concludeerde toen dat ruim 80% van deze organisaties activiteiten ontwikkelt die gericht zijn op de participatie en emancipatie van hun achterban. Ik constateerde ook dat het voor deze organisaties steeds moeilijker is geworden het hoofd boven water te houden. Structurele subsidiering is bijna overal afgeschaft, waardoor organisaties afhankelijker zijn geworden van de eigen bijdragen van leden en bezoekers, die doorgaans tot de laagste inkomensgroepen behoren. 
Wanneer er nog subsidies worden gegeven aan migrantenorganisaties, is dat meestal in de vorm van projectsubsidies. Bij sommige organisaties heeft dit ertoe geleid dat ze –om maar geld binnen te halen – zich sterk zijn gaan richten op de prioriteiten van de lokale overheid, met het gevaar dat ze hun oorspronkelijke doelstellingen en doelgroepen uit het oog verliezen. Tegelijkertijd constateerde ik dat er een groeiende groep van vooral jonge organisaties was, die onafhankelijk van overheidssubsidies wilde zijn.   


Toekomst van de migrantenorganisaties
In 2010 deed Suzanne van Hees opnieuw, een wat kleiner onderzoek naar de positie van allochtone vrijwilligersorganisaties. Uit dat onderzoek, dat 23 september door ACB Kenniscentrum als een update van de Pijlers voor Bruggenbouwers wordt gepresenteerd, blijkt onder andere dat de trends uit 2006 zich hebben voortgezet. 


Ik geloof niet dat het einde van de migrantenorganisatie nabij is. Net als elders in de wereld zullen migranten behoefte blijven houden aan hun eigen organisaties. Ook kunnen deze organisaties een rol blijven vervullen bij de participatie van ‘moeilijk bereikbare doelgroepen’, zij het met de aantekening dat de klassieke migrantenorganisaties vooral de eerste generatie (ouderen en ouders) goed kunnen bereiken. Voor projecten die bijvoorbeeld gericht zijn op ouderparticipatie of (mantel)zorg zijn migrantenorganisaties nog steeds nuttige partners.

Jongeren worden gemakkelijker bereikt via  sociale media of internetcommunities als maroc.nl, marokko.nl en lokum.nl etc.

Voor lokale overheden blijft het nuttig goede contacten met migrantenorganisaties te houden, al is het maar om te weten wat er speelt bij sommige bevolkingsgroepen. Zo ben ik ervan overtuigd dat het in het Amsterdamse stadsdeel Oost na de moord op Theo van Gogh en de rel rond ‘de tasjesdief’ relatief rustig is gebleven, omdat in dat stadsdeel jaren is geïnvesteerd in contacten met lokale netwerken en er structureel overleg wordt gevoerd met migrantenorganisaties. Bij maatschappelijke onrust weten bestuurders, politie en instellingen in Amsterdam-Oost wie ze moeten bereiken.

Voor de migrantenorganisaties zelf is het de uitdaging om de komende jaren minder afhankelijk te worden van overheidssubsidies. Het meest kansrijk zijn de organisaties met een rijkere achterban, religieuze organisaties of organisaties die met succes andere bronnen van financiering weten aan te boren. Vaak zijn dit de organisaties met ondernemende vrijwilligers of de organisaties waar de eerste generatie bestuurders heeft plaats gemaakt voor de hoger opgeleide tweede generatie.

De organisaties die nog wel een beroep willen doen op overheidssubsidies zullen steeds weer duidelijk moeten maken wat hun maatschappelijke meerwaarde is. Ze zullen bijvoorbeeld moeten aantonen dat ze bijdragen aan een speerpunt van de lokale overheid, dat ze voorzien in een maatschappelijke behoefte waarin regulier gefinancierde instellingen niet voorzien of dat ze aantoonbaar bijdragen aan het bevorderen van de participatie van groepen die door andere instellingen niet bereikt worden.

Ewoud Butter komt sinds 1990 bij migrantenorganisaties over de vloer. In 1991 (Ondersteuningsvragen van migrantenorganisaties) en 2006 (Pijlers voor Bruggenbouwers) deed hij onderzoek naar de positie van deze organisaties. Dit stuk is ook verschenen op het blog van Ewoud


 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s