belleblaas hanskalfEind maart lanceerde HP-journaliste Fleur Jurgens met een handige
marketingtruc haar boek het Marokkanendrama over de crimin
aliteit onder
Marokkaanse jongens. De marketingtruc die Jurgens hanteerde is even
simpel als effectief: roep hard dat je met jouw opvatting een taboe of een mythe doorbreekt en je 
 krijgt al snel alle aandacht. Jurgens deed dit effectief in een artikel op de forumpagina van de Volkskrant. De discussie die op haar boek volgde, ging vooral over (het benoemen van) problemen en heeft weinig oplossingen gebracht. 

In het Volkskrantartikel schreef Jurgens dat de volgende vier mythen het debat over criminaliteit onder Marokkaanse jongeren zouden belemmeren: de media vergroten de problemen uit, jongeren worden de misdaad ingedreven als gevolg van discriminatie, ouders oefenen onvoldoende sociale controle uit en de Nederlandse overheid heeft de Marokkanen uitgebuit.

Op het artikel van Jurgens volgden vele en uiteenlopende reacties. Wat ze met elkaar gemeen hadden was dat (bijna) niemand de door Jurgens genoemde mythen als mythen herkende.

Het benoemen van iets tot een mythe of een taboe is niet alleen een aardige marketingtruc, het is ook een handige discussietechniek. Het geeft je de ruimte om vooral de omvang van het probleem te benadrukken en niet teveel aandacht te hoeven te besteden aan mogelijke oplossingen. Het  geeft je bovendien de ruimte om flink te generaliseren en nuances achterwege te laten. Met een genuanceerde stelling verzwak je namelijk alleen maar het (vermeende) taboe dat je doorbreekt.

Met deze techniek druk je je criticasters bij voorbaat in het defensief. Er zijn er immers maar weinigen die graag een vermeend taboe willen handhaven of een vermeende mythe in stand willen houden.

Degenen die reageren op het door jou gesignaleerde taboe zullen dan ook meestal beginnen met het probleem dat je hebt benoemd te bevestigen. En als ze een beetje last van een (miskend) ego hebben, zullen ze roepen dat ze het zelf ook al jaren geleden op de agenda hebben gezet, maar niet voldoende gehoord werden. Vervolgens zijn er verschillende mogelijkheden om te reageren op het benoemde taboe. De volgende twee soorten reacties komen het meeste voor:

a. het taboe verzwakken en roepen dat er teveel wordt gegeneraliseerd en gestigmatiseerd
b. het taboe benadrukken en schuldigen aanwijzen die het taboe onbespreekbaar gemaakt zouden hebben

De reacties op het boek en het artikel dat Fleur Jurgens schreef in de Volkskrant verliepen exact volgens deze schema’s.

Ali Eddaoudi (schreef tien jaar geleden al het boek Marokkaanse jongeren, daders of slachtoffers? waarin hij “harde kritiek leverde op de Marokkaanse gemeenschap”) vindt de term Marokkanendrama stigmatiserend en heeft moeite met de toon die Jurgens aanslaat ten opzichte Marokkaanse ouders (Volkskrant, 4 april).

In dezelfde lijn ligt de reactie van Mohammed Azahaf, woordvoerder van het jongerencentrum Argan in Amsterdam. Hij vindt de aandacht voor de problemen van jonge Marokkanen goed, maar een boek met de titel ‘Het Marokkanendrama’ werkt volgens hem juist averechts. “Ik ken jongens die zich juist door dit soort boeken en onderzoeken tegen Nederland keren. Die denken: ze schrijven toch dat we criminelen zijn, dan gedragen we ons ook maar zo” zegt hij in BN/De Stem.

Volgens antropoloog Hans Werdmölder (Volkskrant, 4 april) worden discriminatie, uitbuiting en armoede in de wetenschap al lang niet meer erkend als verklaringen voor de problemen in de Marokkaanse gemeenschap. Vervolgens stelt hij de vraag hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Dat komt volgens hem omdat het probleem jarenlang taboe zou zijn verklaard door Marokkaanse organisaties, linkse wetenschappers en multiculturele instituten als Forum.

Dat is overigens een verwijt dat met behulp van jaarverslagen en persberichten gemakkelijk te weerleggen is. Zo besteden de Amsterdamse Marokkaanse organisaties al aandacht aan het probleem vanaf de eerste berichten in het Parool eind jaren ’80 over Marokkaanse criminele jongeren.  De organisaties die betrokken waren bij de oprichting van de Stedelijke Marokkaanse Raad in Amsterdam kozen er aan het begin van de jaren ’90 juist vanwege deze problematiek voor om niet alleen een adviesorgaan te zijn, maar ook een projectorganisatie te willen worden; de organisaties wilden zelf projecten ontwikkelen om criminaliteit onder Marokkaanse jongeren tegen te gaan.

Er volgden vele bijeenkomsten, maar het lukte de organisaties slechts mondjesmaat concrete projecten te formuleren en als dat wel lukte, konden ze er zelden financiering en politieke steun voor vinden. De gemeente Amsterdam koos voor een diversiteitsbeleid. Diverse categorale initiatieven werden vervolgens wegbezuinigd waaronder Stichting Hulpverlening Marokkaanse Jongeren “Al Amal”, waarvan Werdmölder nota bene bestuurslid was .

Werdmölder schrijft in de Volkskrant dat het tijd wordt dat verantwoordelijke bestuurders nu orde op zaken stellen. Wat die bestuurders dan precies moeten doen, vertelt de wetenschapper er niet bij.

En dat is illustratief voor de teleurstellende discussie die is ontstaan naar aanleiding van het boek en het artikel van Jurgens. De enige die nog enigszins inhoudelijk reageerde was Ahmed Marcouch, die in de Volkskrant pleitte voor een lik-op-stukbeleid, het uit huis plaatsen van risicojongeren en het laten opnemen van deze jongeren in internaten of bij hun grootouders in Marokko.

Jurgens komt op grond van gesprekken met 70 professionals (Marokkaanse jongeren en hun ouders komen zelf niet aan bod) tot een aardig leesbaar boek dat voor sommigen misschien nog nieuws kan bevatten.

Op ruim 170 pagina’s worden vooral problemen geschetst, maar slechts één alinea (blz. 158) bevat beleidsaanbevelingen. Zo moeten er volgens Jurgens betere onderwijsvoorzieningen komen voor de nieuwe allochtone onderklasse (alleen voor hen?), mogen ouders met opgroeiende kinderen niet langer een uitkering trekken (?) en moet de politie de straat op gaan.

Met dergelijke weinig schokkende aanbevelingen verkoop je normaal gesproken geen boek. Dan kun je beter roepen dat je mythen doorbreekt. Het probleem is groot genoeg en had een betere discussie verdiend. Het is nu niet meer dan een zeepbel gebleken.